Zij streelt de binnenkant van mijn dijen met eierdons.
We liggen in bed, waar anders, maar nog meer liggen we in elkaars tergende aanwezigheid. Reeds een kwartier is er niets dan strelen, kijkt ze af en toe uit het raam, krult ze haar haar rond een vinger en bijt ze met ingespannen blik één van haar nagels af.
Ze heeft de langste vrouwenbenen dat ik ooit zag. Het ene zie ik niet, wegens onder haar magere kont gevouwen, maar het been dat hier nu voor mij ligt is glad, soepel en heeft een kleur die neigt naar die van door rozig licht beschenen Sahel-zand. Aan dat been bevindt zich aan het uiteinde geen voet.
Het is geen trippelen, de bewegingen die mijn vingers maken van boven naar onder en terug, die langzame autostrade die scheen, knie en dij vormen. Het is tellen.
Geen tien minuten later herinner ik mij niet meer waar het tellen stopte. Zij ligt nu zwaar hijgend onder mij en ik berijd haar zoals alleen een man die in staat is te vergeten dat kan. We bezondigen ons aan handelingen die alle moeders ter wereld verboden hebben, staan strak in het zweet, met spieren die soepel glanzen van de inspanning.
Een hoogtepunt is niet aan de orde. We gaan niet eens de diepte in, maar blijven zweven aan de oppervlakte. Het is werken, fysiek consumeren en produceren.
Ze duwt me van zich af. Aan dat ene been zit geen voet. Daar staat ze in profiel aan het raam. Ze lijkt een kapstok.
Ik ben niet de man voor fetishen. Met het eierdons streel ik, hurkend aan het raam, haar onvolledige been. Ik recht me langzaam, zij slaat eerst één been rond mijn bekken, daarna het tweede.
We doen handelingen, door moeders verboden, waar zweet door verdampt. Wat er in de kamer is: mijn ontemperbare hijgen, het zedig zwijgen van mijn geweten, het tasten, het net te ver gaan en dan schuldeloosheid afsmeken.
Ze komt heel stil, piepend klaar. Ik kijk hoe haar neusvleugels hun microdansjes doen.
Dan slaat de werkelijkheid op mij als een ijskoude deken.